Gebruik alsjeblieft het net

25 augustus 2026 |
Delen:

In onze vorige blog, Coachen en trainen voor de 99,9%, gingen we dieper in op de bredere visie van John Kessel op hoe spelers volleybal leren.

Een van de ideeën die meer aandacht verdient, is zijn visie op het net: als de wedstrijd altijd over een net wordt gespeeld, waarom zouden we dan zo’n groot deel van de training zonder net trainen?

Gebruik alsjeblieft het net

Het net is een van de meest kenmerkende onderdelen van volleybal. Het scheidt de twee teams van elkaar, bepaalt hoe de bal gespeeld moet worden en geeft spelers belangrijke visuele informatie.

Toch wordt het net tijdens veel volleybaltrainingen gedurende grote delen van de training nauwelijks gebruikt.

Spelers beginnen de warming-up met pepper aan dezelfde kant van het veld. Ze spelen de bal zonder net naar elkaar, oefenen het bovenhands spelen in tweetallen en slaan ballen tegen een muur. Pas later in de training wordt het net onderdeel van de oefenvormen.

Maar als het net tijdens iedere wedstrijd aanwezig is, waarom zouden we het dan tijdens trainingen regelmatig weglaten?

John Kessel, voormalig Director of Sport Development bij USA Volleyball en FIVB-instructeur, stelt dat coaches het net van het begin tot het einde van iedere training zouden moeten gebruiken. Dat betekent niet dat iedere oefening zes tegen zes moet zijn. Het betekent dat spelers hun vaardigheden zouden moeten ontwikkelen in een omgeving die lijkt op het spel dat ze aan het leren zijn.

Het net is meer dan alleen een obstakel

Het net zorgt er niet alleen voor dat spelers de bal omhoog moeten spelen. Het helpt hen ook om te begrijpen wat er aan de andere kant van het veld gebeurt.

Een groot deel van een goede pass en verdediging vindt plaats voordat de bal over het net komt. Spelers kijken naar de aanloop van de serveerder, de lichaamshouding van de aanvaller, de mogelijkheden van de spelverdeler en de richting van het balcontact. Ze gebruiken deze informatie om te voorspellen waar de bal waarschijnlijk naartoe gaat.

Spelers kunnen deze vaardigheden in het lezen van het spel niet volledig ontwikkelen wanneer de actie begint met een coach die vanaf dezelfde kant van het veld een bal ingooit.

In volleybal moeten spelers leren door en over het net te kijken. Ze moeten herkennen waar de bal vandaan komt, hoe de tegenstander staat opgesteld en welke mogelijkheden er nog zijn.

Hoe vaker het net onderdeel is van de training, hoe meer mogelijkheden spelers krijgen om deze vaardigheden te ontwikkelen.

Train het ritme van het spel

Volleybal is opgebouwd rondom een herkenbare volgorde:

Pass, set-up en aanval.

Veel traditionele oefeningen halen deze contacten echter uit elkaar. Spelers passen herhaaldelijk naar elkaar, spelen bovenhands heen en weer of vallen aan na een directe aangooibal van de coach.

Deze oefeningen kunnen veel herhalingen opleveren, maar halen vaak de context weg waarin de techniek daadwerkelijk wordt gebruikt.

Een passer hoeft de bal niet alleen naar een doel te spelen. De passer moet ook reageren op een bal die over het net komt en een goede uitgangspositie creëren voor de spelverdeler. De spelverdeler moet naar een minder perfecte pass bewegen, de beschikbare aanvallers beoordelen en een aanvalbare bal geven. De aanvaller moet de set-up lezen, de aanloop timen en de bal over het net spelen.

Deze acties zijn met elkaar verbonden.

Daarom stelt Kessel dat een van de beste manieren om passen, set-uppen en aanvallen te trainen, het uitvoeren van de volledige pass-set-up-aanvalreeks is. Hetzelfde principe geldt voor verdedigen: verdedig de bal, geef een set-up en maak de actie af met een aanval.

Het is niet altijd nodig om een volledige rally uit te spelen. Zelfs een eenvoudige reeks van drie contacten over het net kan al realistischere informatie opleveren dan een geïsoleerde technische oefening.

Leer spelers de bal over het net te spelen

Oefeningen zoals aanvallen tegen een muur en traditionele pepper moedigen spelers vaak aan om de bal naar beneden te slaan. Er is geen obstakel waar de bal overheen moet, waardoor de beweging geleidelijk steeds minder kan aansluiten bij wat er tijdens een echte aanval nodig is.

Tijdens een wedstrijd betekent een bal in het net direct het einde van de rally. De tegenstander hoeft niet te blokkeren, te verdedigen of een beslissing te nemen.

Een bal die over het net gaat maar vervolgens uit landt, is vaak een nuttigere fout. De bal kan het blok raken, een verdediger dwingen een beslissing te nemen of zelfs speelbaar blijven doordat een tegenstander probeert de bal te controleren.

Dit betekent niet dat coaches spelers moeten aanmoedigen om iedere bal uit te slaan. Het betekent dat de eerste prioriteit moet zijn om de bal over het net te krijgen. Richting, kracht en nauwkeurigheid kunnen daarna verder worden ontwikkeld, zonder steeds opnieuw de gewoonte te versterken om de bal naar beneden tegen een obstakel te slaan.

Door het net tijdens warming-ups en aanvalsoefeningen te gebruiken, kunnen spelers deze gewoonte ontwikkelen. Wanneer er geen volledig net beschikbaar is, kunnen coaches een touw gebruiken of op de juiste hoogte een denkbeeldige barrière creëren.

Laat spelers de technieken uitvoeren

In veel trainingen wordt de coach de centrale persoon binnen vrijwel iedere oefening. De coach gooit de bal naar de spelverdeler, valt aan vanaf een verhoging, gooit ballen naar verdedigers en begint iedere nieuwe herhaling.

Dit geeft controle en maakt de oefening gemakkelijk te organiseren. Tegelijkertijd zorgt het er ook voor dat spelers afhankelijk worden van voorspelbare ballen.

De coach staat vaak precies op dezelfde plek en speelt vrijwel identieke ballen. De spelverdeler hoeft nauwelijks te bewegen. De passer weet waar de bal vandaan komt. De blokkeerder reageert op de aangooibal van de coach in plaats van een echte aanvaller te lezen.

En nog belangrijker: de coach maakt balcontacten die de spelers zelf onder de knie moeten krijgen.

Tijdens een wedstrijd kan de coach het veld niet betreden om een perfecte tweede bal te geven of een gecontroleerde aanval naar een verdediger te slaan. Spelers moeten deze situaties zelf oplossen.

Laat spelers daarom waar mogelijk zelf de oefening starten en voortzetten. Een spelverdeler kan een bal naar een passer spelen, de pass terugkrijgen en vervolgens een aanvaller aanspelen. Een speler kan aanvallen tegen een echt blok. Verdedigers kunnen de bal naar een medespeler verdedigen in plaats van iedere bal terug naar de coach te spelen.

Hierdoor kan de coach buiten de oefening stappen, observeren wat er gebeurt en gerichte feedback geven.

Laat de spelverdeler bewegen

Een veelvoorkomende trainingsgewoonte is dat de coach rond het midden van het veld staat en herhaaldelijk perfecte ballen naar de spelverdeler gooit.

Dit zorgt voor veel herhalingen van het set-uppen, maar haalt een van de belangrijkste taken van de spelverdeler uit de oefening: naar de bal toe bewegen.

Tijdens wedstrijden komen passes uit verschillende richtingen en op verschillende hoogtes. Sommige ballen vallen kort, drijven richting het net of gaan richting de zijlijn. De spelverdeler moet de pass lezen, snel bewegen, in balans komen en de juiste set-up kiezen.

In plaats van iedere bal vanaf dezelfde positie aan te spelen, kun je variëren in waar het eerste contact vandaan komt. Nog beter is om de bal voort te laten komen uit een pass of verdedigende actie over het net.

Hierdoor worden naast de set-uptechniek ook beweging, oriëntatie en besluitvorming ontwikkeld.

Train beide kanten van het veld

Veel aanvalsoefeningen zijn sterk gericht op set-ups naar positie 4. Hoekaanvallers krijgen veel herhalingen, terwijl achterwaartse set-ups en aanvallen via positie 2 veel minder aandacht krijgen.

Na verloop van tijd heeft deze onbalans invloed op zowel spelverdelers als aanvallers. Spelverdelers raken meer vertrouwd met voorwaarts set-uppen dan achterwaarts, terwijl aanvallers aan de rechterkant minder mogelijkheden krijgen om hun timing te ontwikkelen.

De zogenaamde zwakke kant kan daardoor gedeeltelijk zwak worden door de manier waarop teams trainen.

Coaches kunnen een evenwichtigere trainingsomgeving creëren door beide kanten van het net regelmatig te gebruiken. Dit betekent niet dat iedere oefening exact fifty-fifty verdeeld moet zijn, maar spelers moeten voldoende herhalingen krijgen om vertrouwen te ontwikkelen in zowel het aanvallen als het set-uppen in beide richtingen.

Laat blokkeerders echte aanvallers lezen

Een coach die op een verhoging staat kan veel herhaalde blokacties creëren, maar haalt tegelijkertijd belangrijke informatie uit de oefening.

Een blokkeerder moet normaal gesproken bepalen waar en wanneer hij springt door een aanlopende aanvaller te lezen. De blokkeerder kijkt naar de set-up, de aanloophoek, de positie van de schouders en de timing van de armswing.

Wanneer de coach stil boven het net staat, verdwijnt een groot deel van deze informatie. De blokkeerder reageert dan misschien alleen op de aangegooide bal of op de armbeweging van de coach.

Als een aanval een blok verdient, laat spelers dan waar mogelijk oefenen tegen een echte aanvaller. De kwaliteit van de aanval kan in eerste instantie iets lager zijn, maar de situatie geeft veel bruikbaardere informatie en ontwikkelt de timing en het inschattingsvermogen die voor blokkeren nodig zijn.

Begin verder van het net

Coaches vragen aanvallers regelmatig om voldoende afstand tot het net te houden, terwijl ze tegelijkertijd set-ups geven die extreem dicht op het net komen.

Hierdoor ontstaat een tegenstelling tussen de instructie en de trainingsomgeving.

Een praktische oplossing is om aanvalsoefeningen verder van het net te beginnen. Spelers kunnen bijvoorbeeld rond de driemeterlijn starten en geleidelijk dichter bij het net komen naarmate hun timing en controle verbeteren.

Dit stimuleert spelers om hun volledige aanloop af te maken, naar de bal toe te reiken en de bal over het net te spelen in plaats van onder de bal en richting het net te bewegen. Zodra zij vanaf een veiligere afstand effectief kunnen aanvallen, kunnen de set-ups geleidelijk realistischer worden.

Gebruik het net gedurende de hele training

Het net vaker gebruiken betekent niet dat iedere oefening ingewikkeld moet zijn. Coaches kunnen eenvoudige aanpassingen maken:

Laat balcontacten tijdens de warming-up over een net of touw gaan in plaats van aan dezelfde kant van het veld te blijven.

Verbind pass- en set-upoefeningen met een derde contact over het net.

Laat spelers zelf meer ballen initiëren, terwijl de coach observeert en feedback geeft.

Het doel is niet om iedere geïsoleerde oefening te schrappen. Soms kunnen spelers er juist baat bij hebben om zich op één specifieke beweging te concentreren. Het belangrijkste is dat geïsoleerde oefeningen niet het grootste deel van de training gaan bepalen of de omgeving vervangen waarin de techniek uiteindelijk moet worden toegepast.

Train het spel dat spelers daadwerkelijk spelen

Spelers hebben mogelijkheden nodig om de bal aan te raken, maar het aantal balcontacten is niet de enige maatstaf voor een waardevolle training.

De informatie rondom ieder balcontact is minstens zo belangrijk.

Waar kwam de bal vandaan? Wat gebeurde er vóór het balcontact? Welke mogelijkheden zijn er daarna? Is er een net waar de bal overheen moet? Geven tegenstanders visuele informatie? Moet de speler bewegen, beslissen en zich aanpassen?

Trainingen worden waardevoller wanneer deze vragen op een natuurlijke manier in de oefenvormen zijn verwerkt.

De coach hoeft niet iedere bal te controleren. De rol van de coach is om een omgeving te creëren waarin spelers situaties leren herkennen en zelf oplossingen leren vinden.

Gebruik het net tijdens de warming-up. Gebruik het bij het trainen van passen, set-uppen en verdedigen. Laat de bal van de ene kant naar de andere kant van het net gaan en geef spelers de mogelijkheid om de volledige spelvolgorde uit te voeren.

Volleybal wordt tenslotte niet tegen een muur gespeeld, niet met de rug naar de coach en ook niet volledig aan één kant van het veld.

Het wordt over een net gespeeld.

Delen:
Populaire blogs