Coachen en trainen voor de 99,9 procent

4 augustus 2026 |
Delen:

Onlangs spraken we met John Kessel, een van de bekendste internationale stemmen op het gebied van volleybalontwikkeling. Tijdens ons gesprek deelde hij veel interessante inzichten en een grote hoeveelheid kennis over coaching en spelersontwikkeling.

John Kessel is al tientallen jaren actief binnen het volleybal. Hij was Director of Sport Development bij USA Volleyball en is daarnaast betrokken geweest bij organisaties zoals de FIVB en World ParaVolley. Gedurende zijn carrière heeft hij over de hele wereld trainersclinics en opleidingsprogramma’s verzorgd, waarbij hij zich sterk richtte op het laten groeien van de sport en het verbeteren van de manier waarop volleybal wordt aangeleerd aan spelers van alle leeftijden en niveaus.

We spraken onder andere over hoe trainers free balls effectiever kunnen trainen, waarom het net gedurende de hele training gebruikt zou moeten worden en waarom trainers niet altijd op hun eerste oordeel moeten vertrouwen bij het beoordelen van een speler, prestatie of trainingsinterventie.

De komende weken publiceren we op VolleyballXL meerdere blogs waarin we dieper op deze onderwerpen ingaan.

We beginnen met een van de fundamenten van Kessels coachingsfilosofie: Coaching & programmering voor de 99,9 procent.

In veel sporthallen is het een herkenbaar beeld. Een groep jonge volleyballers staat in een rij. Eén speler passt een aangegooide bal, terwijl de rest wacht. Daarna sluit die speler weer achteraan in de rij aan. De oefening ziet er georganiseerd uit, de trainer heeft de controle en op papier wordt er aan techniek gewerkt.

Maar leren spelers op deze manier werkelijk volleyballen?

Die vraag staat centraal in de visie van John Kessel. Het is een visie die we graag delen met andere volleybaltrainers, omdat zijn boodschap duidelijk, praktisch en misschien ook enigszins confronterend is: spelers leren het spel niet door eindeloos oefeningen uit te voeren. Ze leren het vooral door volleybal te spelen.

Een internationale stem binnen de volleybalontwikkeling

John Kessel is al tientallen jaren actief binnen de internationale volleybalwereld. Hij heeft gewerkt met organisaties zoals USA Volleyball, de FIVB en World ParaVolley en heeft in veel landen clinics en trainersopleidingen verzorgd.

Zijn werk richt zich niet uitsluitend op topvolleybal, maar vooral op de brede basis van de sport: kinderen, beginners, scholen, recreatieve spelers en lokale verenigingen.

Daar komt de titel van zijn visie vandaan: Coaching & programmering voor de 99,9 procent. De focus ligt niet op de kleine groep professionals of internationale spelers, maar op de enorme groep sporters die volleyballen voor hun plezier, ontwikkeling, vriendschappen en beweging.

Voor Kessel begint goed coachen niet met de vraag welke oefening een trainer wil uitvoeren. Het begint met een andere vraag:

Hoe help je spelers om het spel te begrijpen en zorg je ervoor dat ze terug willen komen?

Spelers zijn geen oefeninguitvoerders

Een van de terugkerende ideeën binnen Kessels visie is dat volleyballers geen uitvoerders van oefeningen zijn, maar SPELers.

Het klinkt misschien als een eenvoudige woordspeling, maar de boodschap erachter is serieus. Spelers moeten leren spelen. Ze moeten leren kijken, reageren, communiceren, bewegen, keuzes maken en problemen oplossen.

In traditionele trainingen wordt volleybal vaak opgesplitst in afzonderlijke onderdelen. Eerst passen. Daarna setten. Vervolgens aanvallen. Maar in een wedstrijd bestaan deze onderdelen nooit los van elkaar.

Na een pass volgt altijd een volgende actie. Een set-up vraagt om timing en positionering. Een aanval wordt bepaald door de situatie die eraan voorafging.

Volgens Kessel schieten veel trainingen juist op dit punt tekort. Spelers worden goed in het uitvoeren van een oefening, maar dat betekent niet automatisch dat ze ook beter worden in het begrijpen van het spel.

Minder wachten, meer doen

Als spelers leren door te doen, is wachten een van de grootste belemmeringen voor hun ontwikkeling. Toch is wachten in veel trainingen nog altijd heel normaal. Eén speler voert de actie uit, terwijl de rest toekijkt.

Daarom is Kessel een groot voorstander van kleinere spelvormen zoals 1 tegen 1, 2 tegen 2 en 3 tegen 3.

In deze spelvormen raakt iedere speler de bal vaker. Spelers moeten vaker bewegen, vaker communiceren en vaker beslissingen nemen. Daardoor leren ze niet alleen een techniek uit te voeren, maar leren ze ook het spel te lezen.

Voor trainers is dit een belangrijke les. Vooral bij beginners en jeugdspelers is 6 tegen 6 niet altijd de beste spelvorm om te leren. Op een volledig veld kunnen spelers gemakkelijk uit het spel verdwijnen. Op een kleiner veld is iedereen betrokken.

Gebruik het net vanaf het begin

Een ander belangrijk uitgangspunt binnen Kessels visie is dat volleybal zo veel mogelijk over een net moet worden aangeleerd.

Niet eindeloos heen en weer passen zonder net. Niet alleen aangegooide ballen verwerken vanaf dezelfde kant. Volleybal is een spel met een net, ruimte, richting en een tegenstander.

Dat net hoeft niet perfect te zijn. Een touw, lint, badmintonnet of een andere eenvoudige oplossing kan al voldoende zijn. Het gaat erom dat spelers leren reageren op een bal die vanaf de andere kant komt.

Pas dan ontstaat de context van het echte spel.

Plezier is geen extraatje

Kessel richt zich nadrukkelijk op de brede groep volleyballers. Voor deze groep is plezier geen bijzaak, maar een voorwaarde om te blijven deelnemen.

Spelers komen niet terug omdat ze twintig keer netjes vanuit een rij hebben gepasst. Ze komen terug omdat ze hebben gespeeld, gelachen, succes hebben ervaren en zich onderdeel van een team voelden.

Dat leidt misschien wel tot een van de belangrijkste vragen voor iedere trainer:

Hoeveel spelers willen volgend seizoen opnieuw volleyballen?

Dit betekent niet dat een training geen structuur hoeft te hebben. Het betekent dat ontwikkeling en plezier samen moeten gaan.

Een goede training is niet alleen goed georganiseerd, maar zorgt er ook voor dat spelers actief zijn, worden uitgedaagd en enthousiast zijn om terug te komen.

De trainer als begeleider

In Kessels visie is de trainer niet de hoofdrolspeler van de training. Dat zijn de spelers.

De trainer creëert situaties, stelt vragen en helpt spelers om zelf te ontdekken.

Dat vraagt soms om minder praten, minder voordoen en minder ballen aangooien. Het vraagt om meer observeren, begeleiden en het stellen van goede vragen.

Wat zag je?

Welke andere keuze had je kunnen maken?

Hoe kun je de volgende bal beter spelen?

Op deze manier leren spelers niet alleen wat ze moeten doen. Ze leren ook waarom ze het doen.

Fouten maken hoort bij leren

Volleybal is chaotisch, zeker voor beginners. Ballen vliegen alle kanten op, spelers staan uit positie, maken slecht contact met de bal of kiezen voor een oplossing die niet werkt.

In veel trainingen worden fouten direct gecorrigeerd. Kessel ziet fouten juist als een noodzakelijk onderdeel van het leerproces.

Niet iedere fout is hetzelfde. Een bal die in het net wordt geslagen, beëindigt de rally direct. Een bal die te ver wordt geslagen, geeft vaak nog steeds nuttige informatie over richting, timing, kracht en ruimte.

Door spelers te leren wat een betere fout is, help je hen om het spel beter te begrijpen.

Het doel is niet om iedere fout zo snel mogelijk uit te bannen. Het doel is om een omgeving te creëren waarin spelers kunnen proberen, fouten mogen maken, zich kunnen aanpassen en betere oplossingen kunnen ontdekken.

Train voor het spel

De visie van John Kessel is geen pleidooi tegen structuur. Het is ook geen oproep om zomaar te doen wat er op dat moment in je opkomt.

Het is een oproep om bewuster te coachen.

Minder rijen. Meer spelen.

Minder wachten. Meer balcontacten.

Minder vertellen. Meer ontdekken.

Minder trainen om een oefening er goed uit te laten zien. Meer trainen om spelers beter te laten worden in volleybal.

Voor volleybaltrainers is dat misschien wel de belangrijkste boodschap uit Coaching & programmering voor de 99,9 procent.

De vraag is niet hoeveel oefeningen je kent. De vraag is of je spelers beter worden in het spel zelf.

Misschien begint dat niet met alweer een nieuwe oefening.

Misschien begint het met een kleiner veld, een bal, een net en één eenvoudige instructie:

Speel.

Delen:
Populaire blogs